Veel helden heb ik niet, maar Wim T. Schippers is er een van.
Een van mijn vroegste herinneringen is uit 1972, ik was 4 jaar. Ik kon niet slapen en ging naar beneden. De tv stond aan: er was een huis waar doorheen een weg was aangelegd, dwars door de woonkamer. Ik vond het fascinerend, maar ik mocht niet blijven kijken.
De zon had bolle wangen: een baby-bolletje stralend van kinderlijk plezier, groene grazige weiden waar alles was in Liefde bloeiende (egelantieren roosken
roosken) iedereen ging zelfs gebloemde bloesjes dragen; een zachte lentebries maakte je gouden haren door de war, het was die wind die je gouden haren door de
war maakte, je zei dat je ooit een hoofd vol slangen zou krijgen door jaloezie en afgunst, het licht is om je; intens van elliptische kleuren een ovalen regenboog,
brooddronken van wijn en vlees en bloed – een absoluut helder woord van Liefde – helder als wijn, want had ik Liefde niet, dan was er geen Schoonheid, geen woorden
van Schoonheid, geen vlees van Liefde; de witte melkweg was een grote bloemenzee zo ver je kijken kon… narcissen waar de honing uitdroop… bedwelmd liep ik door deze
augiasstal vol Schoonheid (de smaak van water op mijn tong, een natte vinger in je oor) we lachten en deden alsof we zelf verhalen waren; het vlees is woord geworden,
een woord van gouden regen, een eiwitte zwaan van vlees met eieren, van de dubbele helix van de weg van de proteïne, het dna-spoor van bloeiende Liefde dat dood loopt.
In de pre-industriële tijdperken was het paard alomtegenwoordig. De stoomtrein was nog niet uitgevonden, laat staan de verbrandingsmotor. De 19e eeuw was met zijn stroomtreinen een overgangseeuw naar de 20e: de eeuw van de auto. Binnen honderd jaar was het paard uit het straatbeeld verdwenen, het paard dat millennia niet weg te denken was uit de wegen, akkers en slagvelden. Het paard was een vervoermiddel, een lastdier, een oorlogsmachine… het paard was overal. Niet dat iedereen een paard had, want paarden waren duur. Duur in aanschaf en duur in onderhoud. Maar desondanks domineerde het paard het straatbeeld, zoals er tegenwoordig overal auto’s zijn.
Net als je auto geregeld een beurt krijgt, zo vergen paarden ook onderhoud. Waar paarden last van kunnen krijgen, is van wormen. Iedereen had last van wormen, dus paarden ook. In de tijd dat Ivermectine nog niet bestond, moest je iets anders doen om van de wormen af te komen. Uit de 9e eeuw is een wormenbezwering overgeleverd:
Gang út, nesso, mid nigun nessiklinon – Út fana themo marge an that ben, Fan themo bene an that flesg, Ut fan themo flesgke an thia hud, Ut fan thera hud an thesa strala! Drohtin, uuerthe so!(1)
[Ga uit, worm, met negen kleine wormen – Uit van het merg in het been, van het been in het vlees, uit van het vlees in de huid, uit van de huid in het eelt! Heer, worde het zo!(2)]
Ik heb sterk het vermoeden dat de wormen zich niet geroepen voelden om na deze toverformule het paard te verlaten. Wellicht dat het de eigenaar van het paard enige mentale verlichting gaf. Hij had in ieder iets geprobeerd, het paard zelf was waarschijnlijk niet zo bevattelijk voor placebo-effecten.
Sommige mensen ging ruw om met hun paard, andere heel liefdevol. Van sommige paarden is niets bekend, van andere meer. Een van de bekendste paarden uit de geschiedenis is Βουκέφαλος (Boukefalos), het paard van Alexander de Grote. Zijn naam betekent ‘runderkop’ – wat best een rare naam voor een paard is. Waarschijnlijk was het dier gebrandmerkt met een gestileerde koeienkop om aan te geven wie de eigenaar was.(3) Je zou misschien denken dat ook de namen van de paarden van andere veroveraars bekend zijn. Dat is echter niet zo. Hoe het paard van Julius Caesar heette, is onbekend. Hoe het paard van Karel de Grote heette, is ook onbekend. Tenzij diens naam in La chanson de Roland op waarheid gebaseerd is: Tencendor (‘Strijder’): ‘Des esperons puis brochet le cheval / Et Tencendor li ad fait .IIII. salz.’(4) [Daarna spoorde hij met zijn sporen zijn paard aan / En Tencendor gaf hem vier sprongen.] De kans dat het paard van Karel de Grote werkelijk Tencendor heette, acht ik klein. La chason de Roland dateert uit de 12e eeuw en is een literair werk dat vierhonderd jaar na de dood van Karel geschreven is.
Helaas is de Middelnederlandse vertaling van La chanson de Roland slechts fragmentarisch overgeleverd, en komt Tencendor niet voor in die fragmenten. Wel wordt de naam van Roelands paard genoemd: Valentijf.(5) Als je goed zoekt, kom je nog wel wat meer namen van paarden tegen, maar heel veel worden het er nooit. Hoe belangrijk paarden ook waren, ze kregen geen namen. Of: de paardennamen werden niet opgeschreven. Of: de paardennamen waren geen echte namen, maar kleuren of synoniemen voor paard. Als je je bruine paard ‘Bruin’ noemt, heb je hem dan een naam gegeven? Of is het niet meer dan een kleuraanduiding, alsof je wijst en zegt: ‘Die daar.’?
Ook de naam van het paard van ridder Lanceloet is onbekend. Dat is jammer, want in Lanceloet en het hert met de witte voet is het een dapper dier. Lanceloet volgt een hondje dat hem naar het hert met de witte voet leidt, en ze komen bij een heel brede rivier. Lanceloet geeft zijn paard de sporen en hij springt zonder een moment van twijfel in het water. Aan de overkant rusten Lanceloet en zijn paard uit tot ze weer droog zijn.(6) Het staat er niet met zoveel woorden, maar uit de hele tekst kun je opmaken dat Lanceloet van zijn paard houdt en dat hij goed voor hem zorgt. Dat is ook logisch, want Lanceloet was een eervolle ridder. Eervolle ridders zorgen goed voor hun omgeving en natuurlijk ook voor hun paard.
Wie niet goed voor zijn omgeving zorgde was Tijl Uylenspiegel – en dus zorgde hij ook niet goed voor zijn paard. In hoofdstuk 17 van de eerste Nederlandstalige uitgave van de avonturen van Tijl Uilenspiegel doodt hij zijn paard om het er zelf levend vanaf te brengen.
Hoe die hertoge van Lunenborch ulespiegel sijn lant verboot te zelle int lant van Lunenborch had ulespiegel boeverie gedaen dat hem die hertoge sijn lant verboodt opten hals ende crege hi hem hi soude hem doen hangen so schuwede hi dlant maer hi reysde daer dore als sinen wech so viel. Op een tijt quam hi riden door dat lant ende die hertoge quam hem tegen / ende ulespiegel sach hem van verre / ende hi terstont van zijn peert ende stac dat peert den hals af ende sneet hem den buyc op ende dat inghewant werp hi uut / ende stelde dat peert metten .iiii. voeten opwaert / ende ghinc in dat peert sitten. Doe die hertoge daer voorby quam seyden die knechten Genadighe heere ulespiegel sit in dat peert. Doe reedt die hertoghe bi ulespieghel ende seyde waer om sidt ghi in dat doode peert weet ghi niet dat ick u mijn lant verboden had. Doe seyde ulespiegel ghenadige heere genade mijns lijfs ic ghinc sitten in mijn peert want ic hebbe dicwel hooren seggen dat elc vri is in sijn. iiii. palen want ic sorchde voor uwe ghenade. Doe loech die hertoge ende seyde gaet uuten vuylen peerde ende blijft als ghi sijt / ende so reedt hi van hem. Ende ulespieghel spranc uuten peerde ende seyde danc hebt mijn lief peert dat ghi mi mijn leven hebt gebaet ende hebt gemaect eenen genadighen heere voor mi / tis beter dat u die raven eten dan mi / ende hi liep wech.(7)
[In Celle, in het land van Lüneburg, had Uilenspiegel zoveel misdaden begaan dat de hertog hem op straffe des doods uit zijn land verbande. Als hij opgepakt zou worden, dan zou de hertog hem op laten hangen. Daarom vermeed hij dat land, maar hij reisde er wel doorheen als het op zijn route lag. Op een dag reed hij door dat land en kwam daar de hertog tegen. Uilenspiegel zag hem al van veraf en hij ging direct van zijn paard af. Hij sneed het paard de keel door, de buik open en gooide de ingewanden eruit. Vervolgens zette hij het paard met zijn vier voeten omhoog en ging in het paard zitten. Toen de hertog daar voorbij kwam, zeiden de knechten: ‘Genadige heer, Uilenspiegel zit in dat paard.’ De hertog richtte zich tot Uilenspiegel en zei: ‘Waarom zit jij in dat dode paard? Weet je dan niet dat ik je uit mijn land verbannen heb?’ ‘Genadige heer,’ zei Uilenspiegel, ‘heb genade voor mijn lichaam. Ik ging in mijn paard zitten. Ik heb namelijk dikwijls horen zeggen dat ieder mens vrij is tussen zijn vier palen en ik vreesde voor uw genade.’ De hertog lachte en zei: ‘Kom uit dat vuile paard en blijf zoals je bent,’ waarna hij van hem wegreed. Uilenspiegel sprong uit het paard en zei: ‘Bedankt, mijn lieve paard, dat jij mijn leven hebt gered en dat je voor de genade van een heer hebt gezorgd. Het is beter dat de raven jou eten dan mij.’ En hij liep weg.(8)
Nu is het best logisch dat je je paard doodt om zelf in leven te blijven, dat is eigenlijk niet eens het punt. Waar het om gaat, is het gemak waarmee Tijl Uilenspiegel dat doet – en dat de hertog erom moet lachen! Voor de Middeleeuwer was dit niet echt grappig, want het was absoluut niet gebruikelijk om paarden te doden. Je moest er een bijzondere reden voor hebben (op zich had Tijl Uilenspiegel die wel), maar grappig werd een dood paard nooit.(9)
Paarden werden in de Middeleeuwen niet gefokt voor de slacht, in tegenstelling tot varkens. Het doel van een varken was om opgegeten te worden, het doel van een paard was dat zeker niet. Dode paarden werden voor diverse doeleinden gebruikt, hun huid werd tot leer verwerkt. Van dit leer werden bijvoorbeeld teugels gemaakt. Maar een paard slachten vanwege het leer? Neen.
Zo kwam het ook zelden of nooit voor dat een paard geslacht werd voor het vlees. Het eten van paardenvlees was in grote delen van Europa in grote delen van de Middeleeuwen verre van gebruikelijk. Daar zijn verschillende redenen voor aan te wijzen. Een van die redenen is dat paarden helemaal opgebruikt werden, pas als een paard door ouderdom en uitputting door zijn hoeven ging, werd hij geslacht. Aan zo’n oud en uitgemergeld paard zat weinig vlees, en waarschijnlijk was dat vlees ook niet zo smaakvol. Een andere reden was dat er een goede relatie tussen de mens en zijn paard was. Misschien wel net zo’n relatie als tussen de mens en zijn hond. Wie een paard bezat, zorgde goed voor hem (en wat ‘goed zorgen voor’ is, kan verschillend worden opgevat). Er bestonden innige banden tussen mensen en hun paarden. Dan ga je je paard niet opeten als hij dood is, zoals je ook je hond niet opeet. Er is ook nog een theologische reden: paus Gregorius III verbood in de 8e eeuw het eten van paardenvlees. Dat zou gebaseerd zijn op een anti-heidense gedachte, omdat er in de heidense culturen paarden geofferd werden. Een waar christen doet zoiets natuurlijk niet. Maar waarschijnlijker was het een persoonlijke afkeur van paus Gregorius III om paardenvlees te eten en wilde hij die persoonlijke afkeur gemeengoed maken.(10)
Lang niet iedereen hield zich aan dit verbod. Uit archeologisch onderzoek blijkt dat men in Hongarije wel degelijk paardenvlees at. Men gebruikte de huid om leer en de botten om andere dingen van te maken. De lange botten, bijvoorbeeld, werden gebruikt als glijders onder een slee. Waarom zou je de rest van het dier dan niet gebruiken: als voedsel. Er moet nog meer onderzoek naar gedaan worden, maar als men in Hongarije paarden at, waarom dan ook niet elders? Het eten van paardenvlees was waarschijnlijk niet wijdverspreid, maar zeker niet altijd en overal compleet ongebruikelijk.(11)
Een gewoon paard is gewoon een gewoon paard. Hoe stoer en sterk Boukefalos en Tencendor ook waren, het waren gewoon gewone paarden. Deze paarden zijn in een verhaal niet zo interessant, want een gewoon paard had je thuis ook. Gewone dingen krijgen in een verhaal nooit echte aandacht, daarom wordt de naam van het paard van Tijl Uilenspiegel niet genoemd. In dat verhaal is het paard slechts een ding. Het slachten van een paard werd als choquerend ervaren, maar voor het verhaal maakt het niet uit of dat paard een naam had of niet. Als iemand zijn Ferrari, Porsche of Ford Mustang in de prak rijdt, dan schudden wij meewarig ons hoofd – of de eigenaar die auto nou een naam gegeven had, of niet. Met zo’n auto ga je zuinig om!
Interessanter voor een verhaal met een dier is als het dier bijzondere dingen kan. Zo kennen we het mythische vliegend paard Pegasus. Een vliegend paard is al heel bijzonder, maar dat dit paard geboren is uit het bloed van Medusa? Nadat Perseus het hoofd van Medusa afgesneden had, werden Pegasus en zijn broer Chrysaor geboren uit het rondspattende bloed: ‘pennisque fugacem / Pegason et fratrem matris de sanguine natos’(12) [de snelle en verendragende Pegasus en zijn broer zijn geboren uit het bloed van hun moeder.] Die broer Chrysaor is overigens geen paard, hij wordt afgebeeld als een mens.
Een bijzonder Middeleeuws paard is Bayard, in het Nederlands Beiaard, Beyaert, Beyert, Volbeiert of Trosbeyaert genoemd. Het paard komt in verschillende verhaaltradities voor, maar deze tradities draaien allemaal om de persoon van Aymon. Aymon was een ridder in de cirkel rondom Karel de Grote, hij had vier kinderen: Ritsaert, Writsaert, Adelaert en Reinout. De Nederlandse naam ‘vier Heemskinderen’ is een verbastering van ‘vier Aymons kinderen’. Aymon en zijn kinderen vielen in ongenade bij Keizer Karel en zo ontstaat er een strijd. De jongste zoon van Aymon is Reinout, en hij krijgt een bijzonder paard: Beiaard. Het is een heel groot en sterk paard, zo groot en sterk dat het niet meer normaal is. Het verhaal van de vier Heemskinderen is een Frans verhaal uit de 13e eeuw dat zich snel verspreid heeft over Europa. Ook in het Nederlands is het bekend. Helaas zijn er van de oudere Middelnederlandse varianten slechts fragmenten overgeleverd. Het oudste volledige verhaal is een gedrukt boek uit 1508 van drukker Jan Seversz.(13) Dat is nogal Laat-Middeleeuws, maar het verhaal is ten opzichte van de oudere bronnen niet zo afwijkend dat we het zouden moeten diskwalificeren.
De iconografie van Beiaard is een groot paard met vier mannen erop. Dit zijn de vier zoons van Aymon. In de versie van Jan Seversz staat deze passage:
Ende dat heer volchde hem strengenlic na, also dat de drie broeders haer orssen doot bleven ende mosten gaen te voet. Als dit Reynout sach, hiet hijse springen op Beyaert. Doe namen si hair gereyden ende leidense op Beyaert ende spronghen daer op. Doe setten si die vlucht met Beiaert, also dat hem dat here niet volghen en mocht noch niemant, hoe cloeck si opgeseten ware.(14)
[En het leger achtervolgde hen agressief, zodat de paarden van de drie broers gedood werden en zij te voet verder moesten gaan. Toen Reinoud dit zich, liet hij hen op Beiaard springen. Toen pakten zij hun zadels, legden deze op Beiaard en sprongen erop. Toen sloegen ze op de vlucht met Beiaard, op zo’n manier dat het leger hen niet meer kon volgen, niemand – hoe snel hij ook reed.]
Tijdens een gevecht worden de paarden van Ritsaert, Writsaert en Adelaert gedood. De mannen moesten dus te voet verder, dat was met een harnas niet onmogelijk, maar wel lastig. Zo’n harnas woog ongeveer 25 kg, best zwaar, maar ook weer niet onoverkomelijk – vooral niet omdat er goede scharnierenpunten zaten op de plaatsen waar je je ledematen buigt. Dat die mannen moesten rennen voor hun leven, kunnen we ons voorstellen. Gekker is eigenlijk wel, dat ze de tijd hebben om de zadels van hun dode paarden af te halen. Vervolgens weten zij deze zadels op Beiaard te plaatsen. Dat is wonderbaarlijk! Je moet je dus voorstellen dat er een paard is met vier individuele zadels op zijn rug en dat daarop vier ridders zitten. Ridders met harnas, volledig bewapend!
Wat een wonderpaard.
Een paar hoofdstukken verderop wordt er nog meer wonderlijks over Beiaard verteld:
Nochtans waren si so seer verladen, en had Volbeyaert gedaen, si souden dair alle vier gebleven hebben, want Beyaert sloech ende beet veel volcx doot, so dattet ors was seer te ontsien, want waert sijn sprongen nam, elc ruymde hem die rumen mocht; niemant en dorstet genaken.(15)
[Ze waren dus zeer onder de indruk, maar als Beiaard er niet was geweest, dan zouden ze alle vier gesneuveld zijn. Beiaard trapte en beet veel soldaten dood. Het paard was zeer heldhaftig, want als hij schopte, dan ruimde hij iedereen uit de weg die in zijn buurt kwam. Niemand durfde dichterbij te komen.]
Het paard helpt actief mee in een gevecht, hetgeen niet gebruikelijk is bij paarden. Zelf ben ik bang en allergisch voor paarden, dat eerste vooral vanwege de schoppen die een paard kan uitdelen. Ik ben niet bang voor het bijten. Uiteraard kan een paard bijten en in gevaar zal een paard bijten om zich te verdedigen. Het bijtvermogen is – denk ik – best hoog, maar een paard heeft geen slagtanden. Dat een paard mensen doodbijt, lijkt me onmogelijk. Het geeft aan dat Beiaard een bijzonder dier is.
Een bijzonder dier sterft op een bijzondere wijze. Na allerlei verwikkelingen (het verhaal van de vier Heemskinderen is echt heel tof en spectaculair) is Reinout verplicht zijn paard weg te geven om het te laten doden. Karel de Grote besluit om Beiaard te verdrinken. Beiaard krijgt twee molenstenen om zijn nek en wordt in de rivier gegooid. Beiaard is echter zo sterk dan hij met die molenstenen naar de oppervlakte zwemt, die molenstenen kapottrapt en aan wal komt. Vervolgens krijgt Beiaard twee molenstenen om zijn nek en aan ieder been ook een molensteen. Ook dit overleeft hij. En toen…
Doe dede die coninc Beiaert an elcke voet binden twe groote molenstenen ende an den hals twee ende soe werpen in die riviere. Doe most dat ors te gronde sincken overmits die swaerheit der stenen. Een wijle dair na quamt weder boven ende stac thoeft omhoge, neyende nae sinen here oft een mensche geweest hadde de na sinen lieven vrient gescreit hadde. Als dit neyen Reynout hoerde ende niet om en dorste sien, ginc hem so na der herten dat hij in onmacht viel. Beyert neech sinen here metten hoefde, neyde seer na sinen here. Als Ridsaert dit sach, hadde hi in sijn herte groot verdriet ende hem jammerdet seer, ende dye ander broeders hadden oeck groten rou mede om tors, dat si sinen here so getrouwe sagen. Ten lesten sanc dat ors in die gront ende verdranc.(16)
[Toen liet de koning aan iedere voet en aan de hals Beiaard twee molenstenen binden en hem in de rivier gooien. Toen moest het paard wel naar de bodem zinken vanwege het gewicht van de stenen. Na een tijdje kwam hij weer boven en stak zijn hoofd omhoog, hinnikend naar zijn heer, alsof hij een mens was die om zijn beste vriend gehuild had. Reinout hoorde dit hinniken, maar hij durfde niet om te kijken. Het ging hem zo na aan het hart dat hij flauwviel. Beiaard boog met zijn hoofd naar zijn heet en hinnikte naar hem. Toen Ritsaert dit zag, had hij een groot verdriet in zijn hart en hij jammerde zeer. De andere broers hadden ook veel rouw om het paard, waarvan ze zagen dat het zo trouw was aan zijn heer. Uiteindelijk zonk het paard naar de bodem en verdronk.]
Deze passage heeft op de gemiddelde Middeleeuwer heel veel indruk gemaakt, dat kan niet anders. Misschien vond men dit wel erger dan wat Tijl Uilenspiegel deed. Uilenspiegel was een zot en hij doodde een gewoon paard, maar dat Karel de Grote het bijzondere paard Beiaard liet verdrinken, was verschrikkelijk. Men moet het heel onrechtvaardig gevonden hebben dat Beiaard zo eindigde.
Noten
1) Oostrom (2016), p. 60.
2) Oostrom (2016), p. 60.
3) Parsons (2025), p. 44.
4) Lied van Roland (1990), p. 208.
5) Kalff (1968), p. 64.
6) Lanceloet en het hert met de witte voet (1984), p. 40.
Lied van Roland, Het. (1990, vert. Ard Posthuma). BoekWerk.
Oostrom, Frits van. (2016). Stemmen op schrift. Geschiedenis van de Nederlandse literatuur vanaf het begin tot 1300. Bert Bakker. Geraadpleegd op 1 juni 2026 van https://www.dbnl.org/tekst/oost033stem02_01/index.php .
Ovidius (1823, ed. Daniel Chrispinus Helvetius & Thomas S. Joy). Metamorphoseon Libri XV. Impensis George Long e.a.
Parsons, Ben. (2025). Introducing medieval animal names. University of Wales Press.
Ropa, Anastasija. (2026). Two Ways of Remembering the Horse in The Primary Chronicle of Rus’. Horses as tools and horses as companions: the horse-human relation as conceived in medieval Rus’. e-Phaïstos (XIV-1). Geraadpleegd op 2 juni 2026 van https://journals.openedition.org/ephaistos/15453 .
Tijl Uilenspiegel. (2024, ed. en vert. Bas Jongenelen e.a.). Uitgeverij kleine Uil.
Tijdens een zeereis zien zeelieden een eiland. Ze besluiten aan wal te gaan, om te onderzoeken wat voor eiland het is. Zou er een bron zijn waar ze vers water uit kunnen putten? Zijn er vruchten en dieren om op te eten? Helaas. Het eiland is kaal en rotsachtig. De mannen besluiten een maaltijd te bereiden met de ingrediënten die zij nog aan boord hadden. Ze doen het eten in een pot, maken een vuur en zetten de pot op het vuur. Ineens begint het eiland te bewegen. Er gaat een rilling over het eiland, is het een aardbeving? Het eiland blijft bewegen en de bewegingen worden steeds heftiger. In paniek rennen de mannen terug naar hun schip. Net op tijd kunnen zij aan boord komen – een paar tellen later verdwijnt het hele eiland onder water. Het bleek geen eiland te zijn, maar een heel grote vis. Of een schildpad. Of een groot zeemonster dat niet in te delen is.
De eilandvis is een heel oud motief dat in veel reisverhalen voorkomt. Het is niet uit te zoeken waar de bron is of waar het verhaal precies vandaan komt. Het is heel goed mogelijk dat er verschillende bronnen zijn, dat het verhaal op verschillende plaatsen in verschillende tijden opnieuw bedacht is. Maar een heel oude bron is de Alexanderroman van Pseudo-Callisthenes die ontstaan is rond 300 v. Chr. Enkele mannen van Alexander de Grote varen naar een eiland voor de kust van India, maar dat eiland verdwijnt ineens. En wel met de mannen erop! Deze mannen komen hierdoor te verdrinken, zelfs Alexanders goede vriend Pheidon.
[Maar toen zij aan land waren gegaan op wat men dacht dat een eiland was, dook het monster na een uurtje plotseling de diepte in. Terwijl wij schreeuwden en het monster onzichtbaar werd, kwamen zij jammerlijk om het leven, samen met mijn trouwste vriend; en ik was diep bedroefd. En hoewel ik naar de barbaren zocht, vond ik hen niet. (vertaling: Roger Schenk)]
Het fenomeen van de eilandvis is zo wijdverbreid dat het een eigen lemma heeft in de Motiv-Index van thema’s en motieven in volksverhalen: nummer J1761.1: Whale thought to be island. Sailors light a fire on his back.(2) Ook in de Middeleeuwen komt dit verhaal voor, bijvoorbeeld in de Navigatio sancti Brendani abbatis (De reis van de heilige abt Brendaan), een reisverhaal uit de negende eeuw (of misschien is het wel ouder, of misschien een beetje jonger – men heeft geen idee). Brendaan bouwt een schip en gaat met een aantal monniken op reis, op zoek naar het Beloofde Land van de Heiligen. Onderweg komen ze allerlei wonderbaarlijke dingen tegen, zoals een bron met water waar je een hele dag en een hele nacht van slaapt als je er een beker van drinkt. En ze komen Judas tegen, die op zondag even uit de hel mag. Ook meren ze aan op een rotsachtig eiland, Brendaan blijft liever in zijn boot, terwijl zijn mannen het land op gaan. Daar maken zij een vuur en begint het eiland te bewegen. Ze rennen terug naar de boot. Daar vertelt Brendaan dat hij de nacht ervoor een visioen had gekregen waarin God hem vertelde over de eilandvis, die de naam Jasconius had.(3)
Het verhaal over de zeereis is zo wonderbaarlijk dat hij nooit op deze manier plaatsgevonden kan hebben. Brendaan zelf is waarschijnlijk wel een echt mens geweest, een Ierse kloosterstichter uit de zesde eeuw. Het moet een bijzondere man zijn geweest, misschien een inspirerende spreker met veel sterke verhalen in zijn assortiment. Het is niet gek dat juist hij de hoofdpersoon is geworden van een zeer fantasievolle zeereis.
Overigens wilde Tim Severin in 1976 aantonen dat Brendaan wel degelijk een lange zeereis gemaakt heeft en dat hij zelfs op New Foundland is geweest. Severin bouwde daarom een boot zoals Brendaan die gebouwd had om er de Atlantische Oceaan mee over te steken. Dat lukte inderdaad – helaas heeft Severin geen enkele eilandvis gezien. Was het mogelijk om met zo’n boot de Atlantische Oceaan over te steken? Ja hoor. Heeft Brendaan dat dan daadwerkelijk gedaan? Nee, dat denk ik niet.
Ook in het Nederlands taalgebied heeft Brendaan zijn sporen nagelaten (hij heet dan Brandaan). Er zijn drie varianten van zijn zeereis overgeleverd, één in het Hulthemse Handschrift, één in het Comburgse Handschrift en één in het Utrechtse Handschrift.(4) Het is heel goed mogelijk dat ooit meer varianten zijn geweest of dat er handschriften hebben bestaan met één van de drie overgeleverde verhalen. Maar we zijn al gewoon heel blij met deze drie Middelnederlandse versies. Van deze drie versies ligt die in het Utrechtse Handschrift het dichtst bij het oorspronkelijke Latijnse verhaal. Dat is eigenlijk gewoon een vertaling, maar die andere twee zijn bewerkingen. Helaas ontbreekt van de versie in het Hulthemse Handschrift het begin, dus daar kunnen we niets over zeggen; het begin in het Comburgse Handschrift is duidelijk anders dan het begin van de Latijnse tekst. In het Comburgse Handschrift leest Brandaan een boek vol wonderlijkheden, hij gelooft niet wat hij leest en gooit het boek in het vuur. Voor straf moet hij op reis om bijzondere dingen mee te maken, zodat hij niet meer zal twijfelen aan de wonderen die God kan bewerkstelligen. Ik vind dat een heel fraai verhaalbegin, omdat dit de bijzondere dingen die in het verhaal meegemaakt worden geplaatst worden in een thema. Er is een groter verband en verhaaltechnisch is dat heel goed gevonden.
De passage over de eilandvis is in het Middelnederlands uitgebreider dan in de Latijnse bron. Een belangrijk verschil is dat Brandaan nu geen visioen van God over die vis gekregen heeft, hij is dus net zo verbaasd als zijn mannen.
Doe versach sente Brandaen Eenen sconen werf staen. Hi dochte den wisen heere Wel VI milen lanc of meere. Die stont up den rugghe van eenen vissche. Die bouc maect ons ghewisse, Dat daer een soete water ant meere gaet. Daer hadde die visch sinen haet Ghenomen wel menich jaer, So die bouc seit over waer. Daer up die werf stont een wout. Die Gods helde bout Trocken haer scip in een havene, Ende ghinghen alle doe ave Ghenen sconen werf scauwen. Si ghinghen oec hout houwen, Omme te ziedene haer heten: Die hongher liets hem niet vergheten. Haren ketel si up hinghen; Om hout dat si ghinghen. Eenen droeghen boem si vonden; Doe sine te houwene begonden, Doe so scoet al dat eylant Ondert water al te hant; So dat die helige man Te tyde cume sijn scip ghewan. Met haesten si in scip pronghen; Den lof Gods dat si zonghen, Dat hi se bi der ghenaden zine Verloest hadde van dier pine. Die werf die ghinc al onder. Dit was dat derde wonder, Dat die heeren saghen. Die wint die ghinc se jaghen Bi den zeyle vaste. Doe leden si meneghe onraste Ende menich onghemac. Die heleghe abdt doe sprac: ‘Dit mochte wel een visch zijn, Die desen werf dus trac in: Seker hi was wel hout, Eer ghewies al dat hout Up sinen rugghe braden.’ Gode si dicken baden Met ghestaden moede Dor sine grote goede, Dat hi se saen ghesande Tote eenen ghestadeghen lande.(5)
[Toen zag Sint Brandaan een mooi stuk land. De wijze man dacht dat het wel zes mijl of langer was. Het stond op de rug van een vis. Het boek maakt ons duidelijk dat er zoet water in zee stroomt. De vis had er zijn eten gevonden, wel jarenlang. Dat zegt het boek naar waarheid. Op het stuk land stond een woud. Onze dappere helden van God trokken het schip op het droge en gingen allemaal van boord om het land te bekijken. Ze gingen ook hout kappen om hun maaltijd warm te maken. De honger liet hen niet vergeten hun ketel op te hangen. Ze gingen dus voor hout. Ze vonden een droge boom. Toen ze begonnen te kappen, toen schoot dat eiland per direct onder water, zodat de heilige man op het nippertje bij zijn schip kwam. Met haast sprongen zij in het schip. Ze zongen Gods lof, omdat Hij hen door Zijn genade liet ontsnappen van heftig leed. Het land ging helemaal onder, dat was het derde wonder dat de mannen gezien hadden. De wind liet hen snel gaan door het stevige zeil. Toch waren ze er erg ongerust en ongemakkelijk onder. De heilige abt zei toen: ‘Dit was dus duidelijk een vis die het land naar onder trok. Hij was zeker al oud. Hij werd gewaar dat wij het hout op zijn rug wilden branden.’ Zij baden dikwijls tot God (met een standvastig gemoed) dat Hij door Zijn grote goedheid hen meteen zou sturen naar een veilige plek.]
Jacob van Maerlant had weinig op met de zeereis van Brandaan. Hij vond die verhalen flauwekul. Dit schreef hij erover in zijn Spiegel Historiael:
Te desen tiden was sente Brandaen: Van Yrlant, alse wi verstaen, Was hi geboren in dat begin Dat tkerstijndoem eerst quam in. Die predecte ende hadde jongers mede In Yrlant, in Scollant, in meneger stede. Van desen leestmen over waer, Dat hi indie zee voer VII jaer, Om dat hi wilde vinden ende zien Deylanden, die de bouken plien Te hetene Fortunaet bi namen, Met vele sire jongers te samen. Indie vaert vant hi groet wonder, Dat goet te horne ware besonder, Maer dat die jeesten te min dogen, Alsere vele in schijnt gelogen: Bidi scheetmen die dinc hier uut.(6)
[Het was in de tijd dat het Christendom opkwam, dat Sint Brandaan geboren werd in Ierland (als we het goed begrepen hebben). Hij predikte en kreeg volgelingen in Ierland, Schotland en op andere plaatsen. Over hen leest men, echt waar, dat hij een zeereis van zeven jaar ondernam. Hij wilde samen met zijn monniken de eilanden van het geluk vinden en zien, zoals te lezen is in boeken. Tijdens die reis kwam hij veel wonderlijkheden tegen die leuk zijn om te horen. Maar die avonturen zijn grotendeels onwaar en vele zijn gelogen. Daarom zeg ik er hier niets over.]
Wat Jacob van Maerlant dan precies ongeloofwaardig vindt, zegt hij er niet bij. De eilandvis vindt hij in ieder geval wél geloofwaardig, want in zijn encyclopedische werk Der naturen bloeme schrijft over de cethe – dat is de grootste van alle vissen – het volgende (de vertaling is van Ingrid Biesheuvel):
Oec vintmen somwile so groten, Dat hi leghet openbare In die ze alst een bergh ware. Ons scrivet sente Ysidorus Ende die groete Basilius, Datmense vint ende vant Op haren rigghe erde ende sant, Ende dan scepe daer an quamen, So heelden sijt over lant te samen, Ende worpen anker ende sloeghen vier. Teersten dats ghevoelde dat dier, So sanc et te gronde neder. Some quamen ten scepe weder, Ende some die verdronken, Die metten vischen nedersonken.(7)
[Er worden soms zulke grote walvissen gezien dat het wel lijkt alsof er een berg in zee ligt. De heilige Isidorus en de grote Basilius schrijven dat er exemplaren gevonden zijn – en nog steeds gevonden worden – die aarde en zand op hun rug hadden, waardoor de bemanning van voorbijvarende schepen de dieren voor land aanzag. Dan wierpen ze er het anker uit en maakten er vuur. Zodra zo’n dier het vuur op zijn rug voelde, dook het naar de bodem. Sommige bemanningsleden wisten dan weer terug te komen naar hun schip, maar andere verdronken doordat ze met de walvis mee de diepte in gingen.(8)]
Dit is dus gewoon de eilandvis! Van Maerlant houdt de kaarten voor de borst voor zover het gaat om wat hij afkeurt. Zou hij werkelijk denken dat de eilandvis bestaat? Met de kennis van nu is het heel makkelijk om dit belachelijk te vinden, maar dat is niet de bedoeling. Wel had Van Maerlant wat beter na kunnen denken over de aarde en het zand op de rug van het dier. Waarom zou dat vandaan gekomen zijn? En waarom spoelt dat er niet vanaf als hij de diepte in duikt? Op zich zou een grote vis best met zijn rug boven het water kunnen komen, want walvissen komen geregeld aan de oppervlakte. Maar dat de aarde en het zand niet wegspoelen? Dat vind ik toch lastig om te geloven dat men dat vroeger geloofde, vooral omdat Jacob van Maerlant echt wel een intelligente kerel was die heus wel een beetje na kon denken. Maar zelf nadenken en vertrouwen op je bronnen was en is laveren tussen Scylla en Charybdis.
(3) Zeereis van de heilige Brendaan (1999), pp. 32-33.
(4) Resp. Handschrift-Van Hulthem (1999), I, pp. 111-158, Comburgse Handschrift (1997), II, pp. 805-859 en Moltzer (1891), pp. 1-40. Moderne vertalingen van de tekst uit het Comburgse Handschrift zijn Reis van Sint Brandaan (1996, rijmende vertaling) en Reis van Sint Brandaan (2013, prozavertaling).
(5) Sente Brandane (1871), pp. 16-18.
(6) Maerlant & Utenbroecke (1863), II, p. 420.
(7) Maerlant (1878), p. 8.
(8) Maerlant (2024), pp. 151-152.
Gehanteerde literatuur
Comburgse Handschrift, Het. (1997, ed. Herman Brinkman & Janny Schenkel). Twee delen. Verloren.
Handschrift-Van Hulthem, Het. (1999, ed. Herman Brinkman & Janny Schenkel). Twee delen. Verloren.
Maerlant, Jacob van & Philip Utenbroecke. (1863, ed. Matthias de Vries & Eelco Verwijs). Spieghel historiael. Deel 2. Partie II en III. E.J. Brill. Geraadpleegd op 28 mei 2026 van https://www.dbnl.org/tekst/maer002mvri02_01/index.php .
Op 6 mei 2023 gaf ik aan 4havo en 4vwo een gastles over een refereyn int sotte uit 1561. Hoewel ik mijn Fontys-studenten het allerleukste publiek vind, vond ik het ook fijn om weer eens voor een paar klassen van het voortgezet onderwijs te staan.
Zondag 19 april 2026 was het eerste poppenkastfeest in Tilburg (over 500 jaar zal dit als een belangrijke culturele manifestatie gezien worden, waar de teksten helaas niet van overgeleverd zijn). Ik gaf een mini-college over het poppenspel in de 16e eeuw – over Mariken van Nieumeghen en over de zot met zijn marot.
Op de achtergrond zie je poppenspeler Egon Adel. De foto is van Johannes van Dam.