
In de pre-industriële tijdperken was het paard alomtegenwoordig. De stoomtrein was nog niet uitgevonden, laat staan de verbrandingsmotor. De 19e eeuw was met zijn stroomtreinen een overgangseeuw naar de 20e: de eeuw van de auto. Binnen honderd jaar was het paard uit het straatbeeld verdwenen, het paard dat millennia niet weg te denken was uit de wegen, akkers en slagvelden. Het paard was een vervoermiddel, een lastdier, een oorlogsmachine… het paard was overal. Niet dat iedereen een paard had, want paarden waren duur. Duur in aanschaf en duur in onderhoud. Maar desondanks domineerde het paard het straatbeeld, zoals er tegenwoordig overal auto’s zijn.
Net als je auto geregeld een beurt krijgt, zo vergen paarden ook onderhoud. Waar paarden last van kunnen krijgen, is van wormen. Iedereen had last van wormen, dus paarden ook. In de tijd dat Ivermectine nog niet bestond, moest je iets anders doen om van de wormen af te komen. Uit de 9e eeuw is een wormenbezwering overgeleverd:
Gang út, nesso, mid nigun nessiklinon –
Út fana themo marge an that ben,
Fan themo bene an that flesg,
Ut fan themo flesgke an thia hud,
Ut fan thera hud an thesa strala!
Drohtin, uuerthe so!(1)
[Ga uit, worm, met negen kleine wormen – Uit van het merg in het been, van het been in het vlees, uit van het vlees in de huid, uit van de huid in het eelt! Heer, worde het zo!(2)]
Ik heb sterk het vermoeden dat de wormen zich niet geroepen voelden om na deze toverformule het paard te verlaten. Wellicht dat het de eigenaar van het paard enige mentale verlichting gaf. Hij had in ieder iets geprobeerd, het paard zelf was waarschijnlijk niet zo bevattelijk voor placebo-effecten.
Sommige mensen ging ruw om met hun paard, andere heel liefdevol. Van sommige paarden is niets bekend, van andere meer. Een van de bekendste paarden uit de geschiedenis is Βουκέφαλος (Boukefalos), het paard van Alexander de Grote. Zijn naam betekent ‘runderkop’ – wat best een rare naam voor een paard is. Waarschijnlijk was het dier gebrandmerkt met een gestileerde koeienkop om aan te geven wie de eigenaar was.(3) Je zou misschien denken dat ook de namen van de paarden van andere veroveraars bekend zijn. Dat is echter niet zo. Hoe het paard van Julius Caesar heette, is onbekend. Hoe het paard van Karel de Grote heette, is ook onbekend. Tenzij diens naam in La chanson de Roland op waarheid gebaseerd is: Tencendor (‘Strijder’): ‘Des esperons puis brochet le cheval / Et Tencendor li ad fait .IIII. salz.’(4) [Daarna spoorde hij met zijn sporen zijn paard aan / En Tencendor gaf hem vier sprongen.] De kans dat het paard van Karel de Grote werkelijk Tencendor heette, acht ik klein. La chason de Roland dateert uit de 12e eeuw en is een literair werk dat vierhonderd jaar na de dood van Karel geschreven is.
Helaas is de Middelnederlandse vertaling van La chanson de Roland slechts fragmentarisch overgeleverd, en komt Tencendor niet voor in die fragmenten. Wel wordt de naam van Roelands paard genoemd: Valentijf.(5) Als je goed zoekt, kom je nog wel wat meer namen van paarden tegen, maar heel veel worden het er nooit. Hoe belangrijk paarden ook waren, ze kregen geen namen. Of: de paardennamen werden niet opgeschreven. Of: de paardennamen waren geen echte namen, maar kleuren of synoniemen voor paard. Als je je bruine paard ‘Bruin’ noemt, heb je hem dan een naam gegeven? Of is het niet meer dan een kleuraanduiding, alsof je wijst en zegt: ‘Die daar.’?
Ook de naam van het paard van ridder Lanceloet is onbekend. Dat is jammer, want in Lanceloet en het hert met de witte voet is het een dapper dier. Lanceloet volgt een hondje dat hem naar het hert met de witte voet leidt, en ze komen bij een heel brede rivier. Lanceloet geeft zijn paard de sporen en hij springt zonder een moment van twijfel in het water. Aan de overkant rusten Lanceloet en zijn paard uit tot ze weer droog zijn.(6) Het staat er niet met zoveel woorden, maar uit de hele tekst kun je opmaken dat Lanceloet van zijn paard houdt en dat hij goed voor hem zorgt. Dat is ook logisch, want Lanceloet was een eervolle ridder. Eervolle ridders zorgen goed voor hun omgeving en natuurlijk ook voor hun paard.
Wie niet goed voor zijn omgeving zorgde was Tijl Uylenspiegel – en dus zorgde hij ook niet goed voor zijn paard. In hoofdstuk 17 van de eerste Nederlandstalige uitgave van de avonturen van Tijl Uilenspiegel doodt hij zijn paard om het er zelf levend vanaf te brengen.
Hoe die hertoge van Lunenborch ulespiegel sijn lant verboot te zelle int lant van Lunenborch had ulespiegel boeverie gedaen dat hem die hertoge sijn lant verboodt opten hals ende crege hi hem hi soude hem doen hangen so schuwede hi dlant maer hi reysde daer dore als sinen wech so viel. Op een tijt quam hi riden door dat lant ende die hertoge quam hem tegen / ende ulespiegel sach hem van verre / ende hi terstont van zijn peert ende stac dat peert den hals af ende sneet hem den buyc op ende dat inghewant werp hi uut / ende stelde dat peert metten .iiii. voeten opwaert / ende ghinc in dat peert sitten. Doe die hertoge daer voorby quam seyden die knechten Genadighe heere ulespiegel sit in dat peert. Doe reedt die hertoghe bi ulespieghel ende seyde waer om sidt ghi in dat doode peert weet ghi niet dat ick u mijn lant verboden had. Doe seyde ulespiegel ghenadige heere genade mijns lijfs ic ghinc sitten in mijn peert want ic hebbe dicwel hooren seggen dat elc vri is in sijn. iiii. palen want ic sorchde voor uwe ghenade. Doe loech die hertoge ende seyde gaet uuten vuylen peerde ende blijft als ghi sijt / ende so reedt hi van hem. Ende ulespieghel spranc uuten peerde ende seyde danc hebt mijn lief peert dat ghi mi mijn leven hebt gebaet ende hebt gemaect eenen genadighen heere voor mi / tis beter dat u die raven eten dan mi / ende hi liep wech.(7)
[In Celle, in het land van Lüneburg, had Uilenspiegel zoveel misdaden begaan dat de hertog hem op straffe des doods uit zijn land verbande. Als hij opgepakt zou worden, dan zou de hertog hem op laten hangen. Daarom vermeed hij dat land, maar hij reisde er wel doorheen als het op zijn route lag. Op een dag reed hij door dat land en kwam daar de hertog tegen. Uilenspiegel zag hem al van veraf en hij ging direct van zijn paard af. Hij sneed het paard de keel door, de buik open en gooide de ingewanden eruit. Vervolgens zette hij het paard met zijn vier voeten omhoog en ging in het paard zitten. Toen de hertog daar voorbij kwam, zeiden de knechten: ‘Genadige heer, Uilenspiegel zit in dat paard.’ De hertog richtte zich tot Uilenspiegel en zei: ‘Waarom zit jij in dat dode paard? Weet je dan niet dat ik je uit mijn land verbannen heb?’ ‘Genadige heer,’ zei Uilenspiegel, ‘heb genade voor mijn lichaam. Ik ging in mijn paard zitten. Ik heb namelijk dikwijls horen zeggen dat ieder mens vrij is tussen zijn vier palen en ik vreesde voor uw genade.’ De hertog lachte en zei: ‘Kom uit dat vuile paard en blijf zoals je bent,’ waarna hij van hem wegreed. Uilenspiegel sprong uit het paard en zei: ‘Bedankt, mijn lieve paard, dat jij mijn leven hebt gered en dat je voor de genade van een heer hebt gezorgd. Het is beter dat de raven jou eten dan mij.’ En hij liep weg.(8)
Nu is het best logisch dat je je paard doodt om zelf in leven te blijven, dat is eigenlijk niet eens het punt. Waar het om gaat, is het gemak waarmee Tijl Uilenspiegel dat doet – en dat de hertog erom moet lachen! Voor de Middeleeuwer was dit niet echt grappig, want het was absoluut niet gebruikelijk om paarden te doden. Je moest er een bijzondere reden voor hebben (op zich had Tijl Uilenspiegel die wel), maar grappig werd een dood paard nooit.(9)
Paarden werden in de Middeleeuwen niet gefokt voor de slacht, in tegenstelling tot varkens. Het doel van een varken was om opgegeten te worden, het doel van een paard was dat zeker niet. Dode paarden werden voor diverse doeleinden gebruikt, hun huid werd tot leer verwerkt. Van dit leer werden bijvoorbeeld teugels gemaakt. Maar een paard slachten vanwege het leer? Neen.
Zo kwam het ook zelden of nooit voor dat een paard geslacht werd voor het vlees. Het eten van paardenvlees was in grote delen van Europa in grote delen van de Middeleeuwen verre van gebruikelijk. Daar zijn verschillende redenen voor aan te wijzen. Een van die redenen is dat paarden helemaal opgebruikt werden, pas als een paard door ouderdom en uitputting door zijn hoeven ging, werd hij geslacht. Aan zo’n oud en uitgemergeld paard zat weinig vlees, en waarschijnlijk was dat vlees ook niet zo smaakvol. Een andere reden was dat er een goede relatie tussen de mens en zijn paard was. Misschien wel net zo’n relatie als tussen de mens en zijn hond. Wie een paard bezat, zorgde goed voor hem (en wat ‘goed zorgen voor’ is, kan verschillend worden opgevat). Er bestonden innige banden tussen mensen en hun paarden. Dan ga je je paard niet opeten als hij dood is, zoals je ook je hond niet opeet. Er is ook nog een theologische reden: paus Gregorius III verbood in de 8e eeuw het eten van paardenvlees. Dat zou gebaseerd zijn op een anti-heidense gedachte, omdat er in de heidense culturen paarden geofferd werden. Een waar christen doet zoiets natuurlijk niet. Maar waarschijnlijker was het een persoonlijke afkeur van paus Gregorius III om paardenvlees te eten en wilde hij die persoonlijke afkeur gemeengoed maken.(10)
Lang niet iedereen hield zich aan dit verbod. Uit archeologisch onderzoek blijkt dat men in Hongarije wel degelijk paardenvlees at. Men gebruikte de huid om leer en de botten om andere dingen van te maken. De lange botten, bijvoorbeeld, werden gebruikt als glijders onder een slee. Waarom zou je de rest van het dier dan niet gebruiken: als voedsel. Er moet nog meer onderzoek naar gedaan worden, maar als men in Hongarije paarden at, waarom dan ook niet elders? Het eten van paardenvlees was waarschijnlijk niet wijdverspreid, maar zeker niet altijd en overal compleet ongebruikelijk.(11)
Een gewoon paard is gewoon een gewoon paard. Hoe stoer en sterk Boukefalos en Tencendor ook waren, het waren gewoon gewone paarden. Deze paarden zijn in een verhaal niet zo interessant, want een gewoon paard had je thuis ook. Gewone dingen krijgen in een verhaal nooit echte aandacht, daarom wordt de naam van het paard van Tijl Uilenspiegel niet genoemd. In dat verhaal is het paard slechts een ding. Het slachten van een paard werd als choquerend ervaren, maar voor het verhaal maakt het niet uit of dat paard een naam had of niet. Als iemand zijn Ferrari, Porsche of Ford Mustang in de prak rijdt, dan schudden wij meewarig ons hoofd – of de eigenaar die auto nou een naam gegeven had, of niet. Met zo’n auto ga je zuinig om!
Interessanter voor een verhaal met een dier is als het dier bijzondere dingen kan. Zo kennen we het mythische vliegend paard Pegasus. Een vliegend paard is al heel bijzonder, maar dat dit paard geboren is uit het bloed van Medusa? Nadat Perseus het hoofd van Medusa afgesneden had, werden Pegasus en zijn broer Chrysaor geboren uit het rondspattende bloed: ‘pennisque fugacem / Pegason et fratrem matris de sanguine natos’(12) [de snelle en verendragende Pegasus en zijn broer zijn geboren uit het bloed van hun moeder.] Die broer Chrysaor is overigens geen paard, hij wordt afgebeeld als een mens.
Een bijzonder Middeleeuws paard is Bayard, in het Nederlands Beiaard, Beyaert, Beyert, Volbeiert of Trosbeyaert genoemd. Het paard komt in verschillende verhaaltradities voor, maar deze tradities draaien allemaal om de persoon van Aymon. Aymon was een ridder in de cirkel rondom Karel de Grote, hij had vier kinderen: Ritsaert, Writsaert, Adelaert en Reinout. De Nederlandse naam ‘vier Heemskinderen’ is een verbastering van ‘vier Aymons kinderen’. Aymon en zijn kinderen vielen in ongenade bij Keizer Karel en zo ontstaat er een strijd. De jongste zoon van Aymon is Reinout, en hij krijgt een bijzonder paard: Beiaard. Het is een heel groot en sterk paard, zo groot en sterk dat het niet meer normaal is. Het verhaal van de vier Heemskinderen is een Frans verhaal uit de 13e eeuw dat zich snel verspreid heeft over Europa. Ook in het Nederlands is het bekend. Helaas zijn er van de oudere Middelnederlandse varianten slechts fragmenten overgeleverd. Het oudste volledige verhaal is een gedrukt boek uit 1508 van drukker Jan Seversz.(13) Dat is nogal Laat-Middeleeuws, maar het verhaal is ten opzichte van de oudere bronnen niet zo afwijkend dat we het zouden moeten diskwalificeren.
De iconografie van Beiaard is een groot paard met vier mannen erop. Dit zijn de vier zoons van Aymon. In de versie van Jan Seversz staat deze passage:
Ende dat heer volchde hem strengenlic na, also dat de drie broeders haer orssen doot bleven ende mosten gaen te voet. Als dit Reynout sach, hiet hijse springen op Beyaert. Doe namen si hair gereyden ende leidense op Beyaert ende spronghen daer op. Doe setten si die vlucht met Beiaert, also dat hem dat here niet volghen en mocht noch niemant, hoe cloeck si opgeseten ware.(14)
[En het leger achtervolgde hen agressief, zodat de paarden van de drie broers gedood werden en zij te voet verder moesten gaan. Toen Reinoud dit zich, liet hij hen op Beiaard springen. Toen pakten zij hun zadels, legden deze op Beiaard en sprongen erop. Toen sloegen ze op de vlucht met Beiaard, op zo’n manier dat het leger hen niet meer kon volgen, niemand – hoe snel hij ook reed.]
Tijdens een gevecht worden de paarden van Ritsaert, Writsaert en Adelaert gedood. De mannen moesten dus te voet verder, dat was met een harnas niet onmogelijk, maar wel lastig. Zo’n harnas woog ongeveer 25 kg, best zwaar, maar ook weer niet onoverkomelijk – vooral niet omdat er goede scharnierenpunten zaten op de plaatsen waar je je ledematen buigt. Dat die mannen moesten rennen voor hun leven, kunnen we ons voorstellen. Gekker is eigenlijk wel, dat ze de tijd hebben om de zadels van hun dode paarden af te halen. Vervolgens weten zij deze zadels op Beiaard te plaatsen. Dat is wonderbaarlijk! Je moet je dus voorstellen dat er een paard is met vier individuele zadels op zijn rug en dat daarop vier ridders zitten. Ridders met harnas, volledig bewapend!
Wat een wonderpaard.
Een paar hoofdstukken verderop wordt er nog meer wonderlijks over Beiaard verteld:
Nochtans waren si so seer verladen, en had Volbeyaert gedaen, si souden dair alle vier gebleven hebben, want Beyaert sloech ende beet veel volcx doot, so dattet ors was seer te ontsien, want waert sijn sprongen nam, elc ruymde hem die rumen mocht; niemant en dorstet genaken.(15)
[Ze waren dus zeer onder de indruk, maar als Beiaard er niet was geweest, dan zouden ze alle vier gesneuveld zijn. Beiaard trapte en beet veel soldaten dood. Het paard was zeer heldhaftig, want als hij schopte, dan ruimde hij iedereen uit de weg die in zijn buurt kwam. Niemand durfde dichterbij te komen.]
Het paard helpt actief mee in een gevecht, hetgeen niet gebruikelijk is bij paarden. Zelf ben ik bang en allergisch voor paarden, dat eerste vooral vanwege de schoppen die een paard kan uitdelen. Ik ben niet bang voor het bijten. Uiteraard kan een paard bijten en in gevaar zal een paard bijten om zich te verdedigen. Het bijtvermogen is – denk ik – best hoog, maar een paard heeft geen slagtanden. Dat een paard mensen doodbijt, lijkt me onmogelijk. Het geeft aan dat Beiaard een bijzonder dier is.
Een bijzonder dier sterft op een bijzondere wijze. Na allerlei verwikkelingen (het verhaal van de vier Heemskinderen is echt heel tof en spectaculair) is Reinout verplicht zijn paard weg te geven om het te laten doden. Karel de Grote besluit om Beiaard te verdrinken. Beiaard krijgt twee molenstenen om zijn nek en wordt in de rivier gegooid. Beiaard is echter zo sterk dan hij met die molenstenen naar de oppervlakte zwemt, die molenstenen kapottrapt en aan wal komt. Vervolgens krijgt Beiaard twee molenstenen om zijn nek en aan ieder been ook een molensteen. Ook dit overleeft hij. En toen…
Doe dede die coninc Beiaert an elcke voet binden twe groote molenstenen ende an den hals twee ende soe werpen in die riviere. Doe most dat ors te gronde sincken overmits die swaerheit der stenen. Een wijle dair na quamt weder boven ende stac thoeft omhoge, neyende nae sinen here oft een mensche geweest hadde de na sinen lieven vrient gescreit hadde. Als dit neyen Reynout hoerde ende niet om en dorste sien, ginc hem so na der herten dat hij in onmacht viel. Beyert neech sinen here metten hoefde, neyde seer na sinen here. Als Ridsaert dit sach, hadde hi in sijn herte groot verdriet ende hem jammerdet seer, ende dye ander broeders hadden oeck groten rou mede om tors, dat si sinen here so getrouwe sagen. Ten lesten sanc dat ors in die gront ende verdranc.(16)
[Toen liet de koning aan iedere voet en aan de hals Beiaard twee molenstenen binden en hem in de rivier gooien. Toen moest het paard wel naar de bodem zinken vanwege het gewicht van de stenen. Na een tijdje kwam hij weer boven en stak zijn hoofd omhoog, hinnikend naar zijn heer, alsof hij een mens was die om zijn beste vriend gehuild had. Reinout hoorde dit hinniken, maar hij durfde niet om te kijken. Het ging hem zo na aan het hart dat hij flauwviel. Beiaard boog met zijn hoofd naar zijn heet en hinnikte naar hem. Toen Ritsaert dit zag, had hij een groot verdriet in zijn hart en hij jammerde zeer. De andere broers hadden ook veel rouw om het paard, waarvan ze zagen dat het zo trouw was aan zijn heer. Uiteindelijk zonk het paard naar de bodem en verdronk.]
Deze passage heeft op de gemiddelde Middeleeuwer heel veel indruk gemaakt, dat kan niet anders. Misschien vond men dit wel erger dan wat Tijl Uilenspiegel deed. Uilenspiegel was een zot en hij doodde een gewoon paard, maar dat Karel de Grote het bijzondere paard Beiaard liet verdrinken, was verschrikkelijk. Men moet het heel onrechtvaardig gevonden hebben dat Beiaard zo eindigde.
Noten
1) Oostrom (2016), p. 60.
2) Oostrom (2016), p. 60.
3) Parsons (2025), p. 44.
4) Lied van Roland (1990), p. 208.
5) Kalff (1968), p. 64.
6) Lanceloet en het hert met de witte voet (1984), p. 40.
7) Tijl Uilenspiegel (2024), pp. 46 + 48.
8) Tijl Uilenspiegel (2024), pp. 47 + 49.
9 Ropa (2026).
10) Devriese (2013), p. 291.
11) Bartosiewicz & Gál (2025).
12) Ovidius (1823), IV-785-786, p. 134.
13) Vier Heemskinderen (2005), pp. 287-294.
14) Vier Heemskinderen (2005), p. 69.
15) Vier Heemskinderen (2005), p. 79.
16) Vier Heemskinderen (2005), p. 254.
Gehanteerde literatuur
Bartosiewicz, László & Erika Gál. (2025, 14 juli)). Hippophagy in medieval Hungary: a quantitative analysis. Antiquity (99/407). Geraadpleegd op 3 juni 2026 van https://www.cambridge.org/core/journals/antiquity/article/hippophagy-in-medieval-hungary-a-quantitative-analysis/F5519DCCAD6B2EFEF6797392AF034C42 .
Devriese, L.A. (2013). Vlees eten, mag dat wel? Voorgeschiedenis van het hedendaagse vegetarisme. Vlaams Diergeneeskundig Tijdschrift (82). Pp. 283-297. Geraadpleegd op 2 juni 2026 van https://openjournals.ugent.be/vdt/article/75570/galley/199680/view/ .
Kalff, G. (1968). Middelnederlandsche epische fragmenten. Gysbers & Van Loon. Geraadpleegd op 1 juni 2026 van https://www.dbnl.org/tekst/kalf003midd01_01/index.php .
Lanceloet en het hert met de witte voet. (1984, ed. Maartje Draak). Martinus Nijhoff. Geraadpleegd op 1 juni 2026 van https://www.dbnl.org/tekst/_lan003lanc01_01/index.php .
Lied van Roland, Het. (1990, vert. Ard Posthuma). BoekWerk.
Oostrom, Frits van. (2016). Stemmen op schrift. Geschiedenis van de Nederlandse literatuur vanaf het begin tot 1300. Bert Bakker. Geraadpleegd op 1 juni 2026 van https://www.dbnl.org/tekst/oost033stem02_01/index.php .
Ovidius (1823, ed. Daniel Chrispinus Helvetius & Thomas S. Joy). Metamorphoseon Libri XV. Impensis George Long e.a.
Parsons, Ben. (2025). Introducing medieval animal names. University of Wales Press.
Ropa, Anastasija. (2026). Two Ways of Remembering the Horse in The Primary Chronicle of Rus’. Horses as tools and horses as companions: the horse-human relation as conceived in medieval Rus’. e-Phaïstos (XIV-1). Geraadpleegd op 2 juni 2026 van https://journals.openedition.org/ephaistos/15453 .
Tijl Uilenspiegel. (2024, ed. en vert. Bas Jongenelen e.a.). Uitgeverij kleine Uil.
Vier Heemskinderen, De historie vanden. (2005, ed. Irene Spijker). Bert Bakker. Geraadpleegd op 3 juni 2026 van https://www.dbnl.org/tekst/_his003hist01_01/index.php .