
Tijdens een zeereis zien zeelieden een eiland. Ze besluiten aan wal te gaan, om te onderzoeken wat voor eiland het is. Zou er een bron zijn waar ze vers water uit kunnen putten? Zijn er vruchten en dieren om op te eten? Helaas. Het eiland is kaal en rotsachtig. De mannen besluiten een maaltijd te bereiden met de ingrediënten die zij nog aan boord hadden. Ze doen het eten in een pot, maken een vuur en zetten de pot op het vuur. Ineens begint het eiland te bewegen. Er gaat een rilling over het eiland, is het een aardbeving? Het eiland blijft bewegen en de bewegingen worden steeds heftiger. In paniek rennen de mannen terug naar hun schip. Net op tijd kunnen zij aan boord komen – een paar tellen later verdwijnt het hele eiland onder water. Het bleek geen eiland te zijn, maar een heel grote vis. Of een schildpad. Of een groot zeemonster dat niet in te delen is.
De eilandvis is een heel oud motief dat in veel reisverhalen voorkomt. Het is niet uit te zoeken waar de bron is of waar het verhaal precies vandaan komt. Het is heel goed mogelijk dat er verschillende bronnen zijn, dat het verhaal op verschillende plaatsen in verschillende tijden opnieuw bedacht is. Maar een heel oude bron is de Alexanderroman van Pseudo-Callisthenes die ontstaan is rond 300 v. Chr. Enkele mannen van Alexander de Grote varen naar een eiland voor de kust van India, maar dat eiland verdwijnt ineens. En wel met de mannen erop! Deze mannen komen hierdoor te verdrinken, zelfs Alexanders goede vriend Pheidon.
καὶ ἐκβάντων αὐτῶν ἐπὶ τὴν νομιζομένην νῆσον ὥρας διελθούσης ἄφνω ἔδυνε <τὸ> θηρίον εἰς τὸν βυθόν. ἡμῶν δὲ κραξάντων καὶ ἀφανοῦς γενομένου τοῦ θηρίου οἱ μὲν κακῶς ἀπώλοντο σὺν τῷ γνησιωτάτῳ φίλῳ· καὶ λίαν ἠχθόμην, τοὺς δὲ βαρβάρους ζητήσας οὐχ εὗρον.(1)
[Maar toen zij aan land waren gegaan op wat men dacht dat een eiland was, dook het monster na een uurtje plotseling de diepte in. Terwijl wij schreeuwden en het monster onzichtbaar werd, kwamen zij jammerlijk om het leven, samen met mijn trouwste vriend; en ik was diep bedroefd. En hoewel ik naar de barbaren zocht, vond ik hen niet. (vertaling: Roger Schenk)]
Het fenomeen van de eilandvis is zo wijdverbreid dat het een eigen lemma heeft in de Motiv-Index van thema’s en motieven in volksverhalen: nummer J1761.1: Whale thought to be island. Sailors light a fire on his back.(2) Ook in de Middeleeuwen komt dit verhaal voor, bijvoorbeeld in de Navigatio sancti Brendani abbatis (De reis van de heilige abt Brendaan), een reisverhaal uit de negende eeuw (of misschien is het wel ouder, of misschien een beetje jonger – men heeft geen idee). Brendaan bouwt een schip en gaat met een aantal monniken op reis, op zoek naar het Beloofde Land van de Heiligen. Onderweg komen ze allerlei wonderbaarlijke dingen tegen, zoals een bron met water waar je een hele dag en een hele nacht van slaapt als je er een beker van drinkt. En ze komen Judas tegen, die op zondag even uit de hel mag. Ook meren ze aan op een rotsachtig eiland, Brendaan blijft liever in zijn boot, terwijl zijn mannen het land op gaan. Daar maken zij een vuur en begint het eiland te bewegen. Ze rennen terug naar de boot. Daar vertelt Brendaan dat hij de nacht ervoor een visioen had gekregen waarin God hem vertelde over de eilandvis, die de naam Jasconius had.(3)
Het verhaal over de zeereis is zo wonderbaarlijk dat hij nooit op deze manier plaatsgevonden kan hebben. Brendaan zelf is waarschijnlijk wel een echt mens geweest, een Ierse kloosterstichter uit de zesde eeuw. Het moet een bijzondere man zijn geweest, misschien een inspirerende spreker met veel sterke verhalen in zijn assortiment. Het is niet gek dat juist hij de hoofdpersoon is geworden van een zeer fantasievolle zeereis.
Overigens wilde Tim Severin in 1976 aantonen dat Brendaan wel degelijk een lange zeereis gemaakt heeft en dat hij zelfs op New Foundland is geweest. Severin bouwde daarom een boot zoals Brendaan die gebouwd had om er de Atlantische Oceaan mee over te steken. Dat lukte inderdaad – helaas heeft Severin geen enkele eilandvis gezien. Was het mogelijk om met zo’n boot de Atlantische Oceaan over te steken? Ja hoor. Heeft Brendaan dat dan daadwerkelijk gedaan? Nee, dat denk ik niet.
Ook in het Nederlands taalgebied heeft Brendaan zijn sporen nagelaten (hij heet dan Brandaan). Er zijn drie varianten van zijn zeereis overgeleverd, één in het Hulthemse Handschrift, één in het Comburgse Handschrift en één in het Utrechtse Handschrift.(4) Het is heel goed mogelijk dat ooit meer varianten zijn geweest of dat er handschriften hebben bestaan met één van de drie overgeleverde verhalen. Maar we zijn al gewoon heel blij met deze drie Middelnederlandse versies. Van deze drie versies ligt die in het Utrechtse Handschrift het dichtst bij het oorspronkelijke Latijnse verhaal. Dat is eigenlijk gewoon een vertaling, maar die andere twee zijn bewerkingen. Helaas ontbreekt van de versie in het Hulthemse Handschrift het begin, dus daar kunnen we niets over zeggen; het begin in het Comburgse Handschrift is duidelijk anders dan het begin van de Latijnse tekst. In het Comburgse Handschrift leest Brandaan een boek vol wonderlijkheden, hij gelooft niet wat hij leest en gooit het boek in het vuur. Voor straf moet hij op reis om bijzondere dingen mee te maken, zodat hij niet meer zal twijfelen aan de wonderen die God kan bewerkstelligen. Ik vind dat een heel fraai verhaalbegin, omdat dit de bijzondere dingen die in het verhaal meegemaakt worden geplaatst worden in een thema. Er is een groter verband en verhaaltechnisch is dat heel goed gevonden.
De passage over de eilandvis is in het Middelnederlands uitgebreider dan in de Latijnse bron. Een belangrijk verschil is dat Brandaan nu geen visioen van God over die vis gekregen heeft, hij is dus net zo verbaasd als zijn mannen.
Doe versach sente Brandaen
Eenen sconen werf staen.
Hi dochte den wisen heere
Wel VI milen lanc of meere.
Die stont up den rugghe van eenen vissche.
Die bouc maect ons ghewisse,
Dat daer een soete water ant meere gaet.
Daer hadde die visch sinen haet
Ghenomen wel menich jaer,
So die bouc seit over waer.
Daer up die werf stont een wout.
Die Gods helde bout
Trocken haer scip in een havene,
Ende ghinghen alle doe ave
Ghenen sconen werf scauwen.
Si ghinghen oec hout houwen,
Omme te ziedene haer heten:
Die hongher liets hem niet vergheten.
Haren ketel si up hinghen;
Om hout dat si ghinghen.
Eenen droeghen boem si vonden;
Doe sine te houwene begonden,
Doe so scoet al dat eylant
Ondert water al te hant;
So dat die helige man
Te tyde cume sijn scip ghewan.
Met haesten si in scip pronghen;
Den lof Gods dat si zonghen,
Dat hi se bi der ghenaden zine
Verloest hadde van dier pine.
Die werf die ghinc al onder.
Dit was dat derde wonder,
Dat die heeren saghen.
Die wint die ghinc se jaghen
Bi den zeyle vaste.
Doe leden si meneghe onraste
Ende menich onghemac.
Die heleghe abdt doe sprac:
‘Dit mochte wel een visch zijn,
Die desen werf dus trac in:
Seker hi was wel hout,
Eer ghewies al dat hout
Up sinen rugghe braden.’
Gode si dicken baden
Met ghestaden moede
Dor sine grote goede,
Dat hi se saen ghesande
Tote eenen ghestadeghen lande.(5)
[Toen zag Sint Brandaan een mooi stuk land. De wijze man dacht dat het wel zes mijl of langer was. Het stond op de rug van een vis. Het boek maakt ons duidelijk dat er zoet water in zee stroomt. De vis had er zijn eten gevonden, wel jarenlang. Dat zegt het boek naar waarheid. Op het stuk land stond een woud. Onze dappere helden van God trokken het schip op het droge en gingen allemaal van boord om het land te bekijken. Ze gingen ook hout kappen om hun maaltijd warm te maken. De honger liet hen niet vergeten hun ketel op te hangen. Ze gingen dus voor hout. Ze vonden een droge boom. Toen ze begonnen te kappen, toen schoot dat eiland per direct onder water, zodat de heilige man op het nippertje bij zijn schip kwam. Met haast sprongen zij in het schip. Ze zongen Gods lof, omdat Hij hen door Zijn genade liet ontsnappen van heftig leed. Het land ging helemaal onder, dat was het derde wonder dat de mannen gezien hadden. De wind liet hen snel gaan door het stevige zeil. Toch waren ze er erg ongerust en ongemakkelijk onder. De heilige abt zei toen: ‘Dit was dus duidelijk een vis die het land naar onder trok. Hij was zeker al oud. Hij werd gewaar dat wij het hout op zijn rug wilden branden.’ Zij baden dikwijls tot God (met een standvastig gemoed) dat Hij door Zijn grote goedheid hen meteen zou sturen naar een veilige plek.]
Jacob van Maerlant had weinig op met de zeereis van Brandaan. Hij vond die verhalen flauwekul. Dit schreef hij erover in zijn Spiegel Historiael:
Te desen tiden was sente Brandaen:
Van Yrlant, alse wi verstaen,
Was hi geboren in dat begin
Dat tkerstijndoem eerst quam in.
Die predecte ende hadde jongers mede
In Yrlant, in Scollant, in meneger stede.
Van desen leestmen over waer,
Dat hi indie zee voer VII jaer,
Om dat hi wilde vinden ende zien
Deylanden, die de bouken plien
Te hetene Fortunaet bi namen,
Met vele sire jongers te samen.
Indie vaert vant hi groet wonder,
Dat goet te horne ware besonder,
Maer dat die jeesten te min dogen,
Alsere vele in schijnt gelogen:
Bidi scheetmen die dinc hier uut.(6)
[Het was in de tijd dat het Christendom opkwam, dat Sint Brandaan geboren werd in Ierland (als we het goed begrepen hebben). Hij predikte en kreeg volgelingen in Ierland, Schotland en op andere plaatsen. Over hen leest men, echt waar, dat hij een zeereis van zeven jaar ondernam. Hij wilde samen met zijn monniken de eilanden van het geluk vinden en zien, zoals te lezen is in boeken. Tijdens die reis kwam hij veel wonderlijkheden tegen die leuk zijn om te horen. Maar die avonturen zijn grotendeels onwaar en vele zijn gelogen. Daarom zeg ik er hier niets over.]
Wat Jacob van Maerlant dan precies ongeloofwaardig vindt, zegt hij er niet bij. De eilandvis vindt hij in ieder geval wél geloofwaardig, want in zijn encyclopedische werk Der naturen bloeme schrijft over de cethe – dat is de grootste van alle vissen – het volgende (de vertaling is van Ingrid Biesheuvel):
Oec vintmen somwile so groten,
Dat hi leghet openbare
In die ze alst een bergh ware.
Ons scrivet sente Ysidorus
Ende die groete Basilius,
Datmense vint ende vant
Op haren rigghe erde ende sant,
Ende dan scepe daer an quamen,
So heelden sijt over lant te samen,
Ende worpen anker ende sloeghen vier.
Teersten dats ghevoelde dat dier,
So sanc et te gronde neder.
Some quamen ten scepe weder,
Ende some die verdronken,
Die metten vischen nedersonken.(7)
[Er worden soms zulke grote walvissen gezien dat het wel lijkt alsof er een berg in zee ligt. De heilige Isidorus en de grote Basilius schrijven dat er exemplaren gevonden zijn – en nog steeds gevonden worden – die aarde en zand op hun rug hadden, waardoor de bemanning van voorbijvarende schepen de dieren voor land aanzag. Dan wierpen ze er het anker uit en maakten er vuur. Zodra zo’n dier het vuur op zijn rug voelde, dook het naar de bodem. Sommige bemanningsleden wisten dan weer terug te komen naar hun schip, maar andere verdronken doordat ze met de walvis mee de diepte in gingen.(8)]
Dit is dus gewoon de eilandvis! Van Maerlant houdt de kaarten voor de borst voor zover het gaat om wat hij afkeurt. Zou hij werkelijk denken dat de eilandvis bestaat? Met de kennis van nu is het heel makkelijk om dit belachelijk te vinden, maar dat is niet de bedoeling. Wel had Van Maerlant wat beter na kunnen denken over de aarde en het zand op de rug van het dier. Waarom zou dat vandaan gekomen zijn? En waarom spoelt dat er niet vanaf als hij de diepte in duikt? Op zich zou een grote vis best met zijn rug boven het water kunnen komen, want walvissen komen geregeld aan de oppervlakte. Maar dat de aarde en het zand niet wegspoelen? Dat vind ik toch lastig om te geloven dat men dat vroeger geloofde, vooral omdat Jacob van Maerlant echt wel een intelligente kerel was die heus wel een beetje na kon denken. Maar zelf nadenken en vertrouwen op je bronnen was en is laveren tussen Scylla en Charybdis.
Noten
(1) Konstantakos (2019), p. 286.
(2) http://www.dinor.demon.nl/motif/index.html?J1761.1 (geraadpleegd op 28 mei 2026).
(3) Zeereis van de heilige Brendaan (1999), pp. 32-33.
(4) Resp. Handschrift-Van Hulthem (1999), I, pp. 111-158, Comburgse Handschrift (1997), II, pp. 805-859 en Moltzer (1891), pp. 1-40. Moderne vertalingen van de tekst uit het Comburgse Handschrift zijn Reis van Sint Brandaan (1996, rijmende vertaling) en Reis van Sint Brandaan (2013, prozavertaling).
(5) Sente Brandane (1871), pp. 16-18.
(6) Maerlant & Utenbroecke (1863), II, p. 420.
(7) Maerlant (1878), p. 8.
(8) Maerlant (2024), pp. 151-152.
Gehanteerde literatuur
Comburgse Handschrift, Het. (1997, ed. Herman Brinkman & Janny Schenkel). Twee delen. Verloren.
Handschrift-Van Hulthem, Het. (1999, ed. Herman Brinkman & Janny Schenkel). Twee delen. Verloren.
Konstantakos, Ioannis M. (2019). The island that was a fish: an ancient folktale in the Alexander Romance and in other texts of Late Antiquity. In: Consuelo Ruiz-Montero (ed.), Aspects of Orality and Greek Literature in the Roman Empire. Cambridge Scholars Publishing. pp. 281-301. Geraadpleegd op 29 mei 2016 van https://www.academia.edu/41990018/_The_island_that_was_a_fish_An_ancient_folktale_in_the_Alexander_Romance_and_in_other_texts_of_late_antiquity_in_Consuelo_Ruiz_Montero_ed_Aspects_of_Orality_and_Greek_Literature_in_the_Roman_Empire_Pierides_Newcastle_2019_281_301 .
Maerlant, Jacob van & Philip Utenbroecke. (1863, ed. Matthias de Vries & Eelco Verwijs). Spieghel historiael. Deel 2. Partie II en III. E.J. Brill. Geraadpleegd op 28 mei 2026 van https://www.dbnl.org/tekst/maer002mvri02_01/index.php .
Maerlant, Jacob van. (1878, ed. Eelco Verwijs). Der naturen bloeme. J.B. Wolters. Geraadpleegd op 28 mei 2026 van https://www.dbnl.org/tekst/maer002ever01_01/index.php .
Maerlant, Jacob van. (2024, vert. Ingrid Biesheuvel). Der Naturen Bloeme. Walburgpers.
Moltzer, Henri Ernest. (1891). Levens en legenden van heiligen. Deel I. Brandaen en Panthalioen. A.W. Sijthoff.
Reis van Sint Brandaan, De. (1996, ed. W.P. Gerritsen & Soetje Oppenhuis de Jong; vert. Willem Wilmink). Prometheus / Bert Bakker.
Reis van Sint Brandaan, De. (2013, ed. en vert. Ludo Jongen, Julia Szirmai & Johan H. Winkelman). Verloren.
Sinte Brandane, Van (1871, ed. Willem Gerard Brill). J.B. Wolters. Geraadpleegd op 30 mei 2026 van https://www.dbnl.org/tekst/_sen001wgbr01_01/index.php .
Zeereis van de heilige Brendaan, De. (1999, vert. Vincent Hunink). Athenaeum – Polak & Van Gennep.